Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat. commodi opvat, maar als afhangend van auvocöXsfv. Niet aan zendingsvverkzaamheid is hier gedacht, maar aan de verdediging van het Christendom tegenover de tegenstanders. Tezamen moest men strijden tegenover de aanvallen, tezamen lijden (H. 2). Wanneer zij gemeenschappelijk streden. behoefden zij zich niet door de tegenstanders vervaard te laten maken. — rhóosaftat (van TCTUpStv schuw, schichtig maken van een paard) = schichtig worden, zich verschrikt, vervaard laten maken. In geen enkel opzicht (sv fiiTjOsvt) moest men zich vervaard laten maken door de tegenstanders. Dezen zijn geen Joden, want de Joodsche gemeente te Filippi was klein (Hand. 16: 13), maar heidenen, zooals Paulus hunnen strijd met den zijnen vergelijkt. Paulus wil de lezers in hunnen strijd versterken, door eenige gronden ter hunner bemoediging te noemen. — 'Hti; staat hier door attractie van ifvSeijjtc voor het neutrum. en ziet op [xr( Triupofisvoi. De onvervaardheid en volharding der lezers zou bij de tege standers het gevoel hunner nederlaag en van hun onrecht wekken. Hunne zwakheid, machteloosheid, hun verderf zouden zij daardoor leeren inzien. "Hit; slaat niet op ouvaf)XoOv~£S, want de gemeenschappelijke strijd der lezers kon bij de tegenstanders alleen het gevoel van eenheid wekken. —'Y|a<uv os atoxïjpta;, hetwelk hun een bewijs is van uwe zaligheid. De tegenstanders ontvangen door Goddelijke inwerking (zal toüto i~h OsoO) den indruk, dat de Christenen awTïjpfa wachtte. Paulus spreekt hier van de gewaarwordingen of gevoelens der heidenen in Christelijke vormen. De apostel ziet de nederlaag zijner tegenstanders tegemoet. Zij meenen te zegevieren en zij zullen vallen. Men moet niet verklaren: De standvastigheid der lezers is den tegenstanders een bewijs van hun verderf, maar den lezers een bewijs hunner zaligheid, want dan zou er, zooals sommige Hss. hebben, tjfi'.v os of f(ji.tv 0£ moeten staan. Deze lezingen zijn klaarblijkelijk voortgevloeid uit het streven, eene tegenstelling te vinden tusschen de lezers en de heidenen. Uit ditzelfde streven zijn te verklaren de lezingen 2'jtou jj.£v sa~iv en scrrlv jjlsv auxot"; i. p. v. sattv auto??. Paulus ziet in den tegenstand en de verdrukking, welke hij ondervindt, eene beschikking Gods, maar hij zegt niet, dat zijne tegenstanders er zoo over denken, zoodat uit vs. 28 zou voortvloeien , zooals men gewild heeft, dat de bedoelde tegenstanders Joden zouden zijn. — Vs. 29 motiveert niet den voortdurenden strijd tegen de tegenstanders van vss. 2-h. 28, gelijk Hauptwü;

Sluiten