Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in de lezers zoowel het willen, de geneigdheid, gezindheid (ftiXstv sterker dan ^oóXsaöat, is het op de daad heenwijzende willen) als het werken. God geeft de krachten en de gaven, om het gestelde doel te verwezenlijken. Hij stelt ons in staat om datgene te doen, wat wij doen moeten, en inzoover gaat het werken ook van Hem uit, al moeten de lezers het zeiven volbrengen. De mensch moet de hem geschonkene gaven gebruiken en zijne eigene zaligheid bewerken. Nooit kan hij zich verontschuldigen, dat dit boven zijne krachten gaan zou, want God stelt Hem tot dat werk in staat. Men werke dus met vreeze en beving! — 'Trap vrfi s'jooxta; behoort niet bij to svspystv, alsof daarmede het begrip dsXetv verklaard zou worden, en 'jitsp zou zijn: met het doel om te verwezenlijken. De gedachte zou dan zijn: God werkt het willen en evenzoo het werken ten behoeve van de verwezenlijking van Zijnen wil. Het werken evenwel vindt niet plaats ter verwezenlijking van den wil, maar van het gewilde (Peschito, die in u werkt zoowel het willen als het doen van datgene wat gij wilt). Ook is u-sp niet = ter verwezenlijking, maar ten behoeve van, en eindelijk zou uTrèp xf(; s'joozta; dan vrij tautologisch klinken. — Eüöoxta heeft men verklaard door welgevallen (= Ps. 19: 15). Dan is het: God werkt het

willen en het werken, omdat Hij daarin een welgevallen heeft. Willekeurig evenwel is, uirèp ~ffi suoozta: met beide werkwoorden te verbinden en UTrsp rïfi sOoozta; beteekent niet: omdat Hij daarin een welgevallen heeft. Eindelijk zouden wij verwachten: omdat Hij een welgevallen heeft in het werken van uwe zaligheid. Ook kan Z'jw/J.o. beteekenen: vrije wil, wil van het raadsbesluit Gods (Ef. 1: 5, 9). Maar deze gedachte verwacht men hier niet, daar hier aangedrongen wordt op de werkzaamheid der lezers. Wat beteekent hierbij het raadsbesluit Gods? Wanneer God toch eenmaal naar Zijn raadsbesluit het willen en het werken in de lezers besloten had, waarom zouden zij dan nog hunne zaligheid uitwerken? Zoo zou u~èp vrfi suöoxfa; niet geschikt zijn, om de vermaning te motiveeren. E'jooxt'oc is hier genadige wil (vgl. Mt. 11: 26, Lk. 10: 21) en &7cèp suöoxta? behoort bij o svspyuiv. God werkt naar Zijnen genadigen wil. Zijn werk geschiedt in den dienst Zijner liefde en genade. 'V—sp r?suooxt'a? behoeft dan niet vlak na ó èvspywv te staan, want dan zou de nadruk te veel vallen op xal 70 SsXstv xat ~b èvspystv. Ook

Sluiten