Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

speciale plengoffer (a-svoofiott) verwacht hebben. Men ontkomt aan de genoemde moeilijkheden, wanneer men sitl rrj Ouat'a ... ujjtujv met yaiptu verbindt. Het is dan niet mogelijk, te denken aan den priesterlijken dienst van Paulus, maar slechts aan dien der lezers. De Tttott? wordt als een offer voorgesteld, dat de lezers Gode brengen (vgl. Rom. 12: 1). AstTOUpYta is hier blijkens het geheele redebeleid (vgl. ook 2 Kor. 9: 12, Fil. 2: 30) het werk der priesters, niet de collecte, wat hier een te algemeen begrip zou vormen. Het geloof der lezers of liever de lezers zei ven worden eerst vergeleken met een offer, daar zij zichzelven Gode ten offer brengen, en verder met priesters. Door hun geloot zijn de lezers tot eene heilige werkzaamheid in den dienst van het Godsrijk in staat gesteld. StïsvSsiv leidt tot het gebruik van de beelden van offers en priesterlijk werk. Paulus verheugt zich over het geloot en het werk der lezers, maar natuurlijk verheugen zich de lezers in de eerste plaats en nog meer. Daarom verheugt zich Paulus met hen allen. Bij de gewone verklaring, die s~l rfl öooi'a met het voorafgaande verbindt, staat auvyat'pcu zonderling. — Vs. 18. Tö os auió = (oaa'j-to;. Paulus had zich met de lezers verblijd. Nu moesten zij zich ook met hem verheugen. Het nieuwe voorwerp van blijdschap was de marteldood van Paulus. De gedachte aan den marteldood van Paulus kon de vreugde der lezers doen verminderen. Daarom was eene opwekking noodig. Verheugt ook gij u! Verheugt u ook met mij, die zulk een einde met blijdschap tegemoet ga. Gij zijt dit aan mij als wedervergelding schuldig.

19. Ik hoop in den Heer Jezus u welhaast Timotheus te zenden, opdat ook ik welgemoed zij, wanneer ik van

20. u vernomen heb. Want ik heb niemand gezind gelijk als hij, daar hij uwe belangen trouw zal behartigen.

2\. Zij allen toch zoeken het hunne, niet hetgeen van

22. Christus Jezus is. En gij kent zijne beproefdheid, dat hij als een kind zijnen vader met mij gediend heeft

23. voor het evangelie. Dezen dan hoop ik te zenden, zoodra

24. ik gezien heb, hoe het met mij zal afloopen. Doch ik vertrouw in den Heer, dat ook ik zelf spoedig komen

25. zal. Maar ik achtte het noodig, Epaphroditus, mijnen broeder, medearbeider en medestrijder, en uwen

Sluiten