Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lezers, die over het algemeen heidenen geweest waren, niet op het vleesch, besnijdenis enz. vertrouwden, sprak vanzelf. Zij konden zich daarop niet beroemen. Maar hoe geheel anders was het met Paulus. Hij kon het wel, als hij wilde. Deed hij het niet, dan blijkt wel, dat hij geheel met de wet afgerekend had. ns~Citt}7(3tï is materies fiduciae en ook op het vleesch ziet op Christus. Behalve op Christus kon hij ook op het vleesch vertrouwen stellen. De apostel stelt zich voor een oogenblik op het standpunt der tegenstanders. Vgl. 2 Kor. 11: 18. Men mag niet met zatirsp eenen nieuwen zin laten beginnen, sywv als Part. Imperf. opvatten en vs. 7 als nazin beschouwen. Vooreerst was de apostel niet gewoon, na lange tusschenzinnen den hoofdzin weder op te vatten. Hij breekt dan liever af en vormt een anakolouth. Daarenboven roemt Paulus vs. 4b toch werkelijk sv aapzt' en kan men niet zeggen, dat hij vs. 4» alleen op zijnen roem in het verledene wijst. Ook kan men niet staande houden, dat Paulus als Farizeër ook op het vleesch vertrouwde. Hij deed dat toen alleen. Men mag, om aan de moeilijkheid te ontkomen, zat niet vertalen door: en dat wel. IIsTrotdr.at; sv aaozt is één begrip (vgl. vs. 4b).

\b. Indien een ander meent op het vleesch te vertrouwen,

5. ik nog meer. Besneden ten achtsten dage, uit het geslacht van Israël, uit den stam van Benjamin, een Hebreër uit Hebreërs, wat de wet betreft, een Fari-

6. zeër, wat ijver betreft, een vervolger der gemeente, wat de rechtvaardigheid betreft, die door de wet is,

7. zijnde onberispelijk. Maar al wat voor mij gewin was, dat heb ik om der wille van Christus schade geacht.

8. Ja zeker, ik acht alles schade te zijn om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, mijnen Heer, om wien ik alles prijsgegeven heb, en als drek acht, opdat

9. ik Christus moge winnen, en in Hem gevonden worde, niet met mijne gerechtigheid uit de wet, maar die door het geloof in Christus is, de gerechtigheid uit God op

10. grond van het geloof, opdat ik Hem kenne en de kracht zijner opstanding en de gemeenschap zijns

11. lijdens, terwijl ik zijnen dood gelijkvormig worde, of ik misschien komen zal tot de opstanding uit de dooden.

Sluiten