Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vss. 17 21 waarschuwt Paulus tegen de Judaïsten van 3: 2, over wie hij reeds vroeger (3: 11>) geschreven had. De apostel achtte daar eene herhaling van zijn scherp oordeel over de dwaalleeraars noodzakelijk in het belang der lezers. Zoo ook hier (vs. 18). Dat deze Judaïsten volgens vs. 19 zedelijke Libertinisten zouden zijn, zie ik niet in. Van zedelijk Libertinisme is bij hen nergens sprake geweest en weinig aannemelijk is dit bij personen, die op eene strenge onderhouding van de wet aandrongen. Aan heidenen is niet te denken, want over heidensche zonden behoefde Paulus niet dikwijls tot de lezers te spreken. Zij lagen voor de hand. Ook behoefde de apostel niet daarvan te zeggen, dat hij zich daarover bijzonder bedroefde (vt>v os y.on xAocuov XsYto). Deze zondaars behoorden niet tot de gemeente te Filippi, waaraan Paulus schreef. Zoo denkt Lightfoot aan „the antinomian reactionists". Anders zou de apostel hen onmiddellijk hebben toegesproken en niet gezegd hebben: oG; raXXdxi; l'Xsyov uutv (\ s. 18), en zou zijn toon in den brief scherper geweest zijn. Haupt (S. 149) laat deze karakteristiek niet slaan op de Judaïsten, ook niet op de gemeente, maar op personen, die zoogenaamd, uitwendig tot de gemeente behoorden. Maar al is 't dan ook uitwendig , zij behoorden dan toch tot de gemeente. Mij dunkt, niets blijft over dan aan de dwaalleeraars te denken. Over hen bedroeft I aulus zich hartelijk. Al waren zij Judaïsten, zij waren toch Christenen. Zij wilden medewerken, maar zijn /.axol èpyaiat (vs. 2). Zij wilden het kruis van Christus voorstaan, maar in werkelijkheid zijn zij vijanden van het kruis (vs. 18). Dit is hard en Paulus zegt het dan ook weenend.

Vs. 17. In zijn eigen voorbeeld heeft Paulus getoond, hoe men over de rechte Stxcttoauvr, oordeelen moet (vss. 13—15). Nu ook stelt hij in zedelijk opzicht zichzelven tot een voorbeeld.

fiO'j ytvsafis = öf volgt evenals anderen mij na, öf volgt altezainen, één van hart en zin, mij na! De tweede opvatting lijkt mij de beste, want in het vervolg wordt niet gesproken van personen, die Paulus nagevolgd hebben, maar van dezulken, die navolging verdienen. Niet alleen in Paulus hebben zij een voorbeeld, maar ook in degenen, die evenals hij wandelen, en op wie zij derhalve moeten zien. (J'jxoj 7TSptTt. = wandelen evenals ik. Niet 0'jtu> . . . y.afh'o; correspondeeren met elkander, want dan zou men zafkb; . . . rjjxco; verwacht hebben en S'/ouotv i. p. v. cZsli5 omdat dan xou; vjtio TrsptTiotTOÜVTOts nader omschreven moest

Sluiten