Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden. Vs. ijb versterkt vs. 17a. Paulus moest er den nadruk op leggen, dat zij zijne navolgers moesten zijn, omdat in Filippi dwaalleeraars waren, die de lezers tot navolging wilden overhalen. — Vs. 18. EuvfjUfiYjTat [Aon, want velen wandelen, bewandelen eenen weg, van wie ik dikwijls (zeker in voorafgaande brieven) en nu ook weenend zeg (wat te verklaren is uit den geroerden toestand, waarin Paulus schreef). Per attractionem staat hier tou; syftpou; ~ou axaupou toO Xptoxoö i. p. v. iü; iylipcil xou aiaupoO x. X. Paulus moest toch zeggen, hoe men wandelde, maar liet dat eerst na door den betrekkelijken zin oO; TïoXXdizt; . . . ksrw. De wandel wordt beschreven in tou; 3"/1)006; . . . cppovouvxe?. Zij zijn vijanden van het kruis van Christus, d. z. menschen, voor wie het kruis van Christus eene ergernis is (Gal. 5 : 11,6: 12, 14). De Judaïsten stonden wel de beteekenis van Christus' kruis voor. Deden zij het niet, dan waren zij geen Christenen. Maar door hunnen wettischen wandel, d. i. door de beteekenis, welke zij aan wet en besnijdenis hechtten, stelden zij het kruis van Christus feitelijk als overbodig ten toon. Zij hechtten aan het sarkische, daar zij op het vleesch hun betrouwen stelden. Christus heeft juist aan de heerschappij van het vleesch een einde gemaakt. Zij komen dus met dat kruis in conflict en zijn vijanden daarvan. Mij dunkt, de uitdrukking vs. i8b verbiedt aan personen te denken, die aan zingenot verslaafd zijn. Hun einde is de eeuwige dmóXeta, wat past bij de qualificatie: vijanden van het kruis van Christus. — Wier god of hoogste goed de buik is (<bv ó ftso; y.otXt'a). Vgl. Rom. 16:18. Zij leggen op de Joodsche spijswetten den grootsten nadruk. Het was, of de zaligheid van het eten of niet eten van bepaalde spijzen afhing. Kat fj oó;a sv trj atayuvï] auia>v voegt iets nieuws aan het voorafgaande toe. Vat men ibv ó deb; f( zotXt'a als zingenot op, wat taalkundig geoorloofd is, dan is het volgende precies hetzelfde. Wie de zinnen of den buik dient, stelt zijne eer in zijne schande, verheft zich daarop. Liever vat ik cctayóvr, op als pudenda, schaamtedeelen, zooals de LXX Ez. 16: 36, 37, 22: 10, 23: 10 m~l> door aïo^uvï; vertaalt.

Hunne eer en heerlijkheid stelden de dwaalleeraars in de besnijdenis. Spijswetten en besnijdenis — dat was hun credo. Paulus vat de karakteristiek samen in: die het aardsche bedenken (of ra STUiysta 'fpovoüvTs;). Hun denken en streven was op het aardsche gericht. Zoo waarschuwt Paulus tegen de dwaalleeraars.

Sluiten