Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

komt een e voor die a-achtig klinkt; deze ook bij hen, die in verkeer leven met de Rijnstreek. Beide worden met sterke kaakopening gesproken.

§ 19. e is het teeken voor de gerekte e-klank, zooals die nog voorkomt in het Nederl. waereld, fr. përe. thriïne. Ook hier dezelfde onderscheiding, maar minder sterk. De a-aehtige e overheerscht hier en wel naar de Saksische kant. Deze lange wordt evenals dé korte met slappe tong gesproken.

§ 20. ë' duidt een meer gesloten e-klank aan. Deze is etymologisch uit ai of uit i in open lettergreep ontstaan. Ze klinkt als de e in het Nederl. zee; wordt echter wijd gesproken en nadert naar de Saksische kant de ?, bij hen, die in verkeer leven met de Rijnlanden, de i\ De kaak is minder open dan bij ê.

§ 21. i duidt aan de korte j-klank Deze klinkt meer e-achtig dan de t in het Nederl. pit. De kaakstand en de tongspanning is als bij ë\

§ 22. v is het teeken voor de korte r-klank, dien we hooren in Nederl. Piet. Deze klank wordt echter lager voortgebracht dan in het Nederlandsch en nadert daardoor de ë*.

§ 23. i' is de lange van v. Deze wordt wel gehoord als de lange i in het Nederl. Heren. Maar over het algemeen is de klank langer en meer ë--achtig. De kaak is wat minder geopend.

§ 24. o is de korte o-klank, die gehoord wordt in het Nederl. hok. Deze wordt echter meer naar voren voortgebracht; klinkt meer naar de «-kant, meer palataal. De kaak is ook meer gesloten; de ronding is gering.

Sluiten