Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aanm. 2. g is j geworden ia: mejt meid; in de verbaalvormen hij lejt legt, zejt zegt, lej legde, zej zei.

j in: lep ze legden, zep ze zeiden.

§ 227. y in auslaut werd x• Bv. trö% traag, hex haag, lë% laag, dë'x deeg, ar%x erg, banx berg.

Wgm. *, h.

§ 228. x kwam slechts in auslaut voor en in inlaut in de verdubbeling XX-

h in anlaut voor vokalen bleef als hauchlaut h. Bv. hat haat, hos kous, sok, hal^m halm, hals hals, hetd hitte, hd%n hoorn, lieltf helft, hfip hoeden, hrs heesch, hol$p hulp.

Aanm. h viel af in: r%lans hierlandsch, inlandsch.

§ 229. h in anlaut viel weg voor l, r, w. Bv. löpa loopen, rejn helder, schoon, rïïrs roeren, rgx rug, wit wit.

§ 230. h in inlaut is uitgevallen. Bv. slon slaan, zrn zien, du~ej%l dweil, stol staal, tron traan, ex echt.

§ 231. xx wer<i vereenvoudigd tot x- Bv. laxv lachen.

§ 232. xs werd tot ss > s. Bv. wisgh wisselen, vos» vossen, oss ossen.

§ 233. x in auslaut voor t blijft met afval van t. Bv. pax pacht, slax slag, rex recht, nax nacht, ax acht.

#

§ 234. x auslaut voor s verdwijnt. Bv. vos vos, vlas vlas, zes zes, das das, os os.

Sluiten