Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 349. Imperatief. De Imperatief kent geen uitgang. Yoor enkel- en meervoud wordt de gewone stam gebruikt. Vaak wordt de imperatief uitgedrukt door omschrijving met het hulpwerkwoord mots mooten. Bv. war%k werk, werkt, gij mot tvark» je moet werken.

§ 350. Infinitief. -d is het suffix voor de infinitief. Bv. gëvd geven, löts laten, enz.

§351. Participium praesens. Dit komt niet voor dan in enkele formeele uitdrukkingen, waar het geheel als adjectief gebruikt wordt. Bv. lev^nt, lêv%nd%% levend, naast rïïrgnt xüt roerende goederen, enz.

II. Praeteritum.

§ 352. Indicatief. De uitgangen waren verschillend, al naar de stamvorming sterk was of zwak. Ook nu nog zijn de verba daarnaar in te deelen in sterke en zwakke werkwoorden.

a. Sterk praeteritum. De 1. en 3. sg. heeft de gewone praet stam zonder uitgang. De 1. en 3. plur. de uitgang -9. Yoor de 2. sg. en plur. wordt de vorm van de pluralis gebruikt met de uitgang -d.

b. Zwak praet. Voor alle pers. wordt de uitgang gw gebruikt in de singularis en in de pluralis.

§ 353. Participium.

a. Sterk particip. De uitgang is -a, met het voorvoegsel g?-.

b. Zwak particip. Dit wordt eveneens gevormd door het voorvoegsel g%-. De slot -1, die oorspronkelijk deel was van de zwakke praeteritumstam bleef slechts na

w, r, l en is overigens afgevallen.

Sluiten