Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

B. Stamvorming.

Praesens.

§ 354. De stam het praesens is de stam van de Infinitief. In de 1. ps. sg. en de 1. en 3. ps. plur., waar de stamvokaal in open lettergreep kwam te staan, is deze verlengd en bleef als zoodanig behouden. In de 3. ps. sg vinden we umlaut van de stamvokaal en verscherping van de sluitkonsonant, ontstaan voor de i van de uitgang en voor de dubbele konsonant.

Praeteritum.

§ 355. De verschillende stamvorming — door stamklinkerwijziging (ablaut) of door suffix — is het onderscheidingsbeginsel voor de verba in sterke of zwakke.

A. Sterk praeteritum.

§ 356. De vokaalwisseling (ablaut) van praeteritumstam en praesensstam bleef bestaan, als drager van het gewijzigde begrip.

De vokaalwisseling van het praet. sg. en plur. en van het part. praet. ging meestal verloren, zoodanig, dat of de vokaal van de sing in de plur. kwam, of in alle vormen de vokaal van het particip., of de vokaal van de plur. in de sing. met behoud van de lange vokaal.

De afwijkingen zullen in onderstaand overzicht der ablautsrijen opgegeven worden.

a. Ablautende verba.

§ 357. Ie Ablautsnj.

W. Germ. ï -ai -i -i.

Elten-Bergh. r, r, i, -e -e -e.

Sluiten