Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

b. Praes. 1. 2. 3. dop; dop».

Praet. sg. en plur. dop%n; part. gidop.

c. Praes. 1. nüm, 2. 3. nïïmp; num».

Praet. sg. en plur. nüm%n; part. gqnump.

Evenzoo gaan:

§ 378. 1) met bindvokaal: ho-ra hooren, tëra teeren, lë-ra leeren, dejh deelen, mejna meenen, kena kennen, ziX bêja, bidden, nëja naaien, s%epa scheppen, sxarpa scherpen, griïta groeten, jöka jeuken, maka maken, twi-fyh twijfelen.

Aanm. Een sterk praeteritum vormt: wl'za wijzen, ires, iveza; g^weza. vröga vragen heeft, vrüx, vrüg»; gnvrö%. zeg9 zeggen, zej, zejd; gizejt. heb3 hebben, hat, har, hada, hard] g%hat. maka maken, mik naast mak$n, mï'ka; g^mak.

§ 379. Overige kortsilbige: bo-ra beuren, v^tela vertellen, stêla stelen, spul» spoelen, vula voelen, kena kennen, s%oda schudden, zeta zetten.

Aanm. plöka is geheel in de sterke overgegaan: praet. plok, ploka; giploka.

b. Verba zonder bindvokaal in het praeteritum.

§ 380. Hiertoe behooren:

Enkel langsilbige: züka zoeken, de^ka denken, bre>ia brengen, kö-pa koopen, doitfca dunken.

züka zoeken, Praet. zo%, zoxta; part. g%zoxde^ka denken, — dn%, daxta; — gidaxdo^ka dunken, — dox ; kö-pa koopen, — kox, koxta; — gzkox.

Sluiten