Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heid, zedelijkheid, geschiedenis, en andere bewijzen voor het Godsbestaan toonen bepaald en zeker het bestaan van een bovenaardsch oneindig, goddelijk Wezen aan. Tevergeefs trachtte Immanuel Kant (gest. 1804) in de ,,critiek der zuivere rede", de godsbewijzen te weerleggen. Zijne tegenwerpingen berusten op liet vooroordeel, dat de causaliteitswet (oorzakelijkheidswet) slechts subjectieve beteekenis heeft. Daarmede vallen ook de Kantsche sophismen (spitsvondig-valsche redeneeringen) in elkaar, want de oorzakelijkheid is subjectief en objectief geldig, geheel algemeen zonder eenige uitzondering. God is het hoogste oneindige Wezen, al het andere is vergankelijk en beperkt. Derhalve zijn God en natuur, goddelijk en "aardsch wezen geheel verschillend. Gods wijsheid en voorzienigheid toont zicli in de geheele natuur, in de geschiedenis en in de lotgevallen van ieder mensch in het bijzonder. Volgens de pantheïstische philosophen Fichte, Schelling, Hegel, Schopenhauer, Ed. v. Hartmann ontwikkelt zicli het absolute en wordt in den mensch bewust en — God. Vanwaar echter de eerste stoot tot deze zoogenaamde ontwikkeling gekomen is, hebben deze philosophen niet gezegd.

Zoo zondigt het Pantheïsme tegen de oorzakelijkheidswet. God is voor geene ontwikkeling vatbaar, noch heeft Hij daaraan behoefte, daar hij als zoodanig den eersten stoot tat elke ontwikkeling geeft. De mensch is mensch, een schepsel, niet God. Het Vaticaansche concilie heeft (3e zitting) de volgende moderne dwalingen veroordeeld:

1. De loochening van den Eénen waren God, van c!en Schepper en Heer der zichtbare en onzichtbare dingen. 2. Het materialisme, dat leert, dat er buiten de materie niets bestaan kan. 3. De meening, dat de

406

Sluiten