Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ken Stichter verleende rechten ; maar het komt der burgerlijke macht toe te bepalen, welke de rechten zijn der Kerk, en welke de grenzen, binnen welke zij die rechten kan uitoefenen".

Met de 19. Syllabus-stelling staan wij „voor het eigenlijke middelpunt van alle vragen en polemieken over de verhouding van staat en kerk". (Tosi 66). De Kerk is eene ware maatschappij, eene maatscha'ppij in haar soort, n.I. eene bovennatuurlijke maatschappij tot heiliging der menschheid. Dat de Kerk eene maatschappij is, is duidelijk. Zij heeft leden, tegenwoordig meer dan 250 millioen; een opperhoofd, den Paus en de hem ondergeschikte bestuurders der Kerk; een u etboek, de geloofs- en zedeleer; volle wetgevende inacht, bindende en ontbindende macht. Wat ontbreekt haar dus voor eene ware maatschappij? Zij is eene \ olmaakte maatschappij, daar zij door de voorzorg van Jezus Christus alle middelen ontvangen heeft om het maatschappelijk doel, de heiliging 'der menschen te te bereiken. De Kerk hoeft daarvoor geen middel var. den staat te leenen. Christus heeft gezegd: „Mij is alle macht gegeven in den hemel en op aarde. Daarom leert alle volken en doopt hen". (Matth. 28, 18 19). De Kerk heeft hare zending dus van Christus, niet \an den staat. Uit de woorden van Christus blijkt ook, dat de kerk volgens zijnen wil een maatschappij is. Bij de stichting der Kerk heeft Christus niet door ixcdlentie Pontius Pilatus bij zijne majesteit Tiberius te Rome aangevraagd om de toestemming daartoe. Ook de apostelen hebben niet om de goedkeuring van den staat verzocht, om te prediken en te doopen.

Het liberale ideaal is de „kerkelijke hoogheid" van den staat. W. Kahl, Lehrsystem des Kkrchenrechts

440

i

Sluiten