Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Katholieke leer: De scheiding- der Kerk in eene Oostersche en Westersche is niet door de willekeur der Roomsche Opperpriesters veroorzaakt, (maar door den hoogmoed der Grieken en andere oorzaken).

§ 6. Dwalingen over de burgerlijke maatschappij, zoowel in zich zelve als in hare betrekkingen tot de Kerk beschouwd.

De inhoud van § 6 (stellingen 39—55) over de betrekking van staat en Kerk komt gedeeltelijk met dien van § 5 overeen. De samenhang is de volgende: De staat als de eenige bron van 't recht (39), bezit over de den staat vijandige (40) Kerk eene indirecte macht (41), ja de koningen staan boven de Kerk (54), staat en Kerk moeten gescheiden worden (55).

Bij conflicten heeft de Staat den voorrang (42). De staat kan concordaten zonder meer opheffen, (43) op de herderlijke brieven en de toediening der Sacramenten toezicht houden, (44) het geheele schoolwezen leiden. (45) ten minste de methode der theologische studies bepalen. (46). De Kerk moet vooral van de volksschool verwijderd blijven, (47) die aan eiken godsdienstigen invloed onttrokken moet worden (48). De staat kan het vrije verkeer met Rome aan banden leggen, (49) Bisschoppen aanstellen en afzetten (51), de kloosters leiden (52), de kloosterwetten afschaffen (53).

'39. Syllabus-stelling: „De Staat, als oorsprong en bron van alle rechten, bezit een door geene grenzen omschreven recht".

De afschuwelijke theorie van de „Staatsaimacht" was een uitvloeisel der pantheïstische Hegelsche filosofie.

466

Sluiten