Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

reageert, maar nog wel bij indroging aan den rand van den druppel duidelijk bruine zeshoeken afzet van het dubbeljodide. Behalve voor het minimum aan HC1 moet men, bij herkenning dezer minimale hoe""vëelhedenT'ook zorgen voor daaraan geëvenredigde hoeveelheden dei-

beide reagentia CsCl en KI.

De reactie wordt bovendien evenzoo goed gegeven door antimoon in de hoogste oxydatietrap (als SbCl6) als in den vorm van SbCls. In het eerste geval wordt bovendien eene geringe hoeveelheid jodium afgescheiden, die niet stoort, zoolang zij opgelost blijft in de overmaat kaliumjodide. Nu en dan kunnen evenwel (vooral wanneer resten van andere oxydantia aanwezig zijn) ook kleine zeshoekige kristalletjes van afgescheiden jodium optreden. Men wachte zich voor verwisseling van deze met het dubbeljodide. Behalve dat zij zeer donkerbruin tot zwart van kleur zijn, lossen zij gemakkelijk op bij aanraking met kaliumjodide.

Verdund zoutzure oplossingen van antimoon van voldoend liooge concentratie kunnen ook met kaliumjodide alleen een korrelig, zeer donker gekleurd neerslag geven van antimoonjodide en intens gele zeshoekjes (tot 10 van een dubbeljodide van Sb en K, die evenwel bij aanraking met meer kaliumjodide weer oplossen tot een inten8 gele vloeistof. Echter komen deze kristallisaties niet te voorschijn bij de geringere concentraties aan antimoon, welke de boven beschreven afscheiding van antimooncaesiumjodide geven.

Deze reactie zou alleen verwisseld kunnen worden met die van bismuth (zie Berhens, l.c,), welk metaal hier evenwel door de groep-

scheiding is uitgesloten.

De aanwezigheid van tin naast antimoon heeft alleen in zooverre een storenden invloed, dat in dit geval meer caesiumchloride moet worden aangewend, daar het zeer weinig oplosbare caesiumtinchloiïde daardoor neerslaat. Daardoor zijn dan niet zulke kleine hoeveelheden antimoon meer aantoonbaar als boven zijn genoemd. Overigens influenceert tin geenszins het optreden van het caesiumantimoonjodide en kan men deze roodbruine kristalletjes gemakkelijk tusschen de kleurlooze octaëders van het caesiumtinchloride opsporen. Ten slotte kan een zeer groote hoeveelheid van dit laatste de waarneming van het eerste beletten, zoodat de reactie beperkt is tot een grensverhouding

van Sb : Sn = 1 : 100.

In een preparaat, dat lang gestaan heeft, kunnen de octaëders van van het caesiumtinchloride, die aanvankelijk kleurloos waren, zich geel tot geelbruin kleuren door opname van jodium. Verwisseling van

Sluiten