Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zeer verdunde oplossingen laat men eenvoudig aan de lucht indroogen om daarna door eene kleine hoeveelheid water (beademen) de kristallen van het dubbelzout weer bloot te leggen.

Ik heb bij deze wijze van uitvoering tot nu toe nooit anders dan fraaie, grootere of kleinere, tetraëders zien ontstaan, maar nooit de daarvan afwijkende misvormingen zien optreden.

Oplossingen die meer dan 1 pCt. zink bevatten reageeren al te snel en geven daardoor een groote hoeveelheid fijn precipitaat. Zeer fraai is de afscheiding bij een concentratie van 0,3 pCt., waarbij de tetraëders na korten tijd staan te voorschijn komen. Eveneens is de reactie nog zeer goed bij 0,03 pCt. zink, waarbij zij langeren tijd noodig heeft. De grens ligt bij eene concentratie van 0,001 pCt. zink; alsdan komen bij gebruik van 1 mMs der oplossing na indrogen nog enkele tetraëders te voorschijn. De kleinste hoeveelheid Zn die op deze wijze nog zichtbaar te maken is bedraagt dus 0,01 ,«G. Wanneer men in ammoniakale oplossing met natriumbicarbonaat of in NaOH-oplossing met ammoniumbicarbonaat reageert is de reactie ook veel minder gevoelig en laat zich reeds 0,3 Zn niet meer aantoonen.

De aanwezigheid van veel ammoniakzout (chloride) kan de reactie minder gevoelig maken of zelfs geheel verhinderen. De storing door calcium (op welks aanwezigheid men altijd te rekenen heeft) komt alleen in aanmerking bij de opsporing van zeer kleine hoeveelheden zink omdat dan het gevormde calciumcarbonaat (ook wel in vormlooza korrels) de waarneming van het natriumzinkcarbonaat kan belemmeren.

Naast mangaan ondervindt men moeilijkheden. Eene kleine hoeveelheid belet de waarneming van het natriumzinkcarbonaat niet, maar reeds bij aanwezigheid van gelijke deelen Mn en Zn ontstaat in de oplossing een fijne afscheiding van carbonaat naast een bruine precipitatie van mangaanoxyde, die eene conclusie op de aanwezigheid van Zn onmogelijk maakt. In den regel zal daarom eene scheiding moeten voorafgaan.

b. De overige reacties op zink zijn minder typisch dan de reactie a. Het oxalaat (Behrens, 1. c., bl. 53) onderscheidt zich bij rechtstreeksche precipitatie niet voldoende van vele andere oxalaten van zware metalen. Alleen de oplosbaarheid in ammonia en de eigenaardige vorm in welke het daaruit bij verdamping van het oplosmiddel kristalliseert zijn een duidelijke kenmerken voor zink, maar deze kunnen alleen toegepast worden wanneer eene aanzienlijke hoeveelheid materiaal ter beschikking is.

Sluiten