Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoodoende bleek 1 «G Li nog zeer goed aantoonbaar, ook 0,3 nog duidelijk; evenwel 0,1 yG twijfelachtig.

Het lithiumsulfaat geeft echter, om mij onbekende redenen, een slecht resultaat bij de behandeling met bicarbonaat. Dit geeft daarentegen bij bevochtiging met natriumcarbonaatoplossing eene bruikbare kristallisatie van bovengenoemde kogelvormige aggregaten, en wel tot eene gevoeligheid, overeenkomende met 0,1 ,«G lithium, waarbij de kristalformaties dan evenwel (evenals ook reeds bij 1 y-G Li het geval is) wel talrijk, maar zeer klein zijn.

De aanwezigheid van kalium en natrium maakt slechts bij zeer ongunstige verhouding eene scheiding voor de aantooning van lithium noodzakelijk.

De aanwezigheid van magnesium is, evenals bij de phosphaatreactie, een grootere stoornis, daar ook magnesiumcarbonaat mede neerslaat. Daar dit, ook bij de precipitatie door bicarbonaat, niet zichtbaar kristallijn is, maar korrelig-amorf van voorkomen, heeft men voor de onderscheiding van lithium te letten op het boven beschreven kristallijne voorkomen en wordt bij ongunstige verhouding ook hier een voorafgaande scheiding noodzakelijk.

Volledigheidshalve zij hier nog vermeld dat pogingen om met uranylacetaat, aluminiumsulfaat, stannichloride, natriumperchloraat of kaliumjodaat bruikbare kristallisaties te varkrijgen, mij zijn mislukt, terwijl met ammoniumfluosilikaat bij indroging een reactie werd verkregen, die gemakkelijk niet die van natrium is te verwisselen en met pikrinezuur naalden, die al te veel op die van kaliumpikraat gelijken.

Reacties op kalium.

a. Plutinachloride is een zoo algemeen bekend en voortreffelijk reagens op kalium (zie Behrens' Anleit., bl. 30) dat het overbodig is de daarmede verwekte reactie te beschrijven. Slechts over het doelmatig gebruik heb ik enkele opmerkingen te maken.

Ondanks dat men hier het reagens in oplossing gebruikt, wordt, dit bij voorkeur niet aangewend op het te onderzoeken zout in den vasten toestand (zie bl. 8), omdat daardoor hier eene al te snelle en daardoor onduidelijke kristallisatie optreedt. Men brengt in de te onderzoeken oplossing van het (kalium)zout een druppeltje van de platinachloride oplossing, met behulp van den platinadraad, en wel zooveel doenlijk zonder daarbij de vloeistof in beweging te

Sluiten