Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mate het met opoffering gepaard gaat. Een moord is in ieders schatting een zedelijk kwaad: de moordenaar zelf zal zijne daad niet als zedelijk goed verdedigen. Doch het doen eener wandeling b.v. zal men op zichzelf genomen voor eene zedelijk onverschillige handeling aanzien.

Dat oordeel over de zedelijke waarde van personen en handelingen, wordt niet gevormd naar een regel door het staatsgezag vastgesteld of door eene gewoonte ingevoerd. Noch de staat, noch welke gewoonte ook, hebben bepaald, wat men voor goed, wat voor kwaad zou houden. Maar die regel ligt in den mensch zelf. Zijne redelijke natuur, beschouwd zoowel in zichzelve als in hare verhoudingen tot andere wezens, is de maatstaf, waarnaar wij goed van kwaad onderscheiden. Om zedelijk goed te handelen, moet de mensch leven als redelijk schepsel, dat zich niet door zijn hartstocht laat beheerschen: moet hij de tijdelijke zaken gebruiken als middel tot zijn eeuwig einddoel: moet hij ieder van zijns gelijken geven of laten wat hem toekomt; moet hij bovenal zijn volkomen onderwerping toonen aan God. Want wie zijn plichten jegens God niet nakomt, verzaakt aan zijne hoogste zedelijke verplichtingen. Waar de godsdienst ontbreekt, mist de zedelijkheid haren grondslag. Een ongodsdienstig mensch kan weliswaar voortreffelijke zedelijke eigenschappen bezitten, doch aan zijne zedelijkheid ontbreekt het voornaamste.

Sluiten