Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daarnaast staat een maatschappelijk doel. De burgerlijke maatschappij beoogt de tijdelijke welvaart, die zonder een zekeren overvloed van stoffelijke goederen ondenkbaar is. En deze zijn de vrucht van den arbeid. Daarom noemt Z. H. het onmiskenbaar, dat de burgers, die zich met handwerk bezighouden, op middellijke wijze hun arbeid dienstbaar maken aan het algemeen belang J). De menschen met hunne verschillende behoeften en verschillende bekwaamheden zoeken, door de natuur gedrongen, elkanders steun in het maatschappelijk leven. Het is de arbeid, die dien steun verzekert: van elkanders arbeid moeten wij leven. Is dus het onmiddellijk doel het welzijn van den arbeider, het middellijk doel is het welzijn der maatschappij 2).

Daarom is elke regeling van den arbeid, die hem doet strekken om eene enkele klasse te bevoorrechten, of nog erger om haar egoïsme te voldoen, als antisociaal te verwerpen.

27. Het voortbrengingsvermogen van den mensch heeft zijne grenzen. Nochtans zijn vernuft heeft de middelen uitgevonden om die grenzen telkens verder uit te zetten. Hij ontneemt aan de natuur niet alleen de stof, die hij ver-

') Rerum Novarum. § 25 „Quamvis autem."

2) Graaf de Mun heeft den arbeid genoemd eene sociale functie; welke uitdrukking sterk is gegispt. Inderdaad zij is onjuist in dien zin, alsof de arbeid uit zijn aard op publiekrechtelijk gebied thuis hoort, alsof de arbeider staatsambtenaar is. Maar volkomen waar is zij, wanneer men daarmee bedoelt, dat de arbeid, ofschoon rechtstreeks een privaat karakter dragend, toch middellijk moet strekken tot het algemeen welzijn der maatschappij.

Sluiten