Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de vennooten wordt verdeeld in evenredigheid met ieders inbreng aan kapitaal, grond of arbeid. De waarde van deze inbrengsten wordt bepaald door de algemeene schatting (n°. 20), en vindt hare laatste uitdrukking in de onderlinge overeenkomst der vennooten, waarbij de positieve wet in het algemeen belang natuurlijk nog bepalingen kan voorschrijven. Naar verhouding dezer aldus geschatte en bepaalde waarden der inbrengsten, wordt ieders aandeel in het product vastgesteld. Dit alles volgt uit den aard der vennootschap.

Nu kan men deze wijze van samenwerken als de redelijkste en natuurlijkste beschouwen ; men kan zeer goed de stelling verdedigen, dat daardoor de onderlinge onafhankelijkheid der voortbrengers het best is gewaarborgd; toch is zij niet de eenige, die door de rechtvaardigheid gebillijkt wordt 1).

Het gewone geval is, dat de zaak wordt opgezet en gedreven door een ondernemer (die zelf eene maatschappij kan zijn), voor wiens rekening de geheele voortbrenging geschiedt. Om over arbeidskrachten te kunnen beschikken en veelal ook om het noodige kapitaal te bezitten, verzekert hij zich van de medewerking van anderen. Deze leenen hem hun arbeid en kapitaal, geven hem daarvan het volle gebruik voor zijne onderneming en ontvangen daarvoor een vast bepaalde vergoeding. Op hem rust het geheele risico: hij geniet de winsten, en lijdt de verliezen. Maar zij, die hun arbeid of hun kapitaal

') Zie Vermeersch, Quaesl. de Justitia. Q. X, 0. 1. en Antoine, op. eit. bi. 479.

Sluiten