Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

75. Beschouwen wij deze voorbeelden onder c. wat nader, dan blijkt het, dat het subjectieve recht tot voorwerp heeft uitwendige zaken en handelingen; handelingen, door ons of door anderen voor ons te verrichten, zaken, die of in ons bezit zijn of onder anderen berusten, maar handelingen en zaken, die wij als ons toebehoorende kunnen vorderen. De rechtvaardigheid toch geeft aan ieder het zijne.

Op die handelingen en zaken heeft men een recht of eene zedelijke bevoegdheid, welke bestaat in: een mogen krachtens de rechtvaardigheid. Wij mogen krachtens de rechtvaardigheid die zaken en handelingen vorderen. En zoo kunnen wij de gegeven voorbeelden in dezen vorm uitdrukken: wij mogen krachtens de rechtvaardigheid onze plichten vervullen enz.. — Mogen, niet eenvoudig in dien zin, dat het door geen wet verboden is, maar positief bevoegd zijn, d. i. zóó mogen, dat iemand, die zulk eene bevoegdheid eens anders niet eerbiedigt, onrecht pleegt;

een mogen, dat ook niet hetzelfde is als physisch kunnen.

Mogen krachtens de rechtvaardigheid: d. w. z. alleen de rechtvaardigheid in aanmerking genomen, mag men; ofschoon het mogelijk is, dat men om eene andere reden b.v. krachtens de naastenliefde, zijne- bevoegdheid niet mag uitoefenen. Wie in dit geval zijn recht toch doorzet, zondigt tegen de liefde, maar niet tegen de rechtvaardigheid.

Zoo moet men de definitie verstaan van het subjectieve recht als eene zedelijke bevoegdheid om iets te doen of te eischen.

76. Zal een recht voor iemand eenige beteekenis

Sluiten