Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hebben, dan moet daaraan in een ander een rechtsplicht beantwoorden. Zoo ontstaat eene rechtsverhouding. Daarbij ontmoet men dus vooreerst den drager van het recht {subjectum juris) en dengene, op wien de rechtsplicht rust (terminus juris). Beiden zijn physische of zedelijke personen : een zaak of een dier is voor recht en rechtsplicht onvatbaar. Vervolgens komt hier in aanmerking het voorwerp van het recht (objectum jurist), waarover genoeg gezegd is, en de rechtstitel (titulus juris).

De titel is een feit of eene handeling, waardoor eene zaak zoodanig met een persoon verbonden wordt, dat hij haar zijne zaak kan noemen, en waardoor hij op die wijze de bevoegdheid erlangt met uitsluiting van ieder ander haar te zijnen bate te gebruiken. In elke rechtsbevoegdheid ligt een dubbel element opgesloten : eene zaak, die men de zijne mag noemen, en de zedelijke bevoegdheid om, in het gebruik daarvan tot zijn nut, niet door anderen gestoord te worden. Het eerste bewerkt de rechtstitel: deze brengt eene zaak zoo in onze macht, dat zij de onze wordt. Het tweede danken wij hetzij aan de natuurwet, hetzij aan eene positieve wet, die aan anderen den rechtsplicht oplegt mijn recht niet te krenken. Zoo geldt bij het recht op mijn leven als rechtstitel het feit, dat de Schepper het mij heeft gegeven, terwijl de natuurwet (en ook de positieve wet) iedereen gebiedt dat te eerbiedigen. Is iemand krachtens een contract mij een som gelds verschuldigd, dan is dat contract de rechtstitel, waarom dat geld aan mij toebehoort, terwijl de natuurwet mij de zedelijke bevoegdheid verleent het als het mijne op te eischen.

Sluiten