Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

77. Hierin ligt het middel om te onderscheiden, of ergens al dan niet een recht aanwezig is. Want recht en rechtvaardigheid loopt alleen over iets, wat men als het zijne kan vorderen, en datgene, wat voor iemand het zijne is, wordt door den rechtstitel aangewezen. Waar zulk een titel ontbreekt, bestaan misschien wel andere redenen, waarom men iets van een ander mag verwachten; maar zich beroepen op een recht of op de rechtvaardigheid kan men niet. Een arme kan geen recht doen gelden op de aalmoes, die hij vraagt; want daar is geen enkel feit aanwezig met dit uitwerksel, dat deze aalmoes aan dezen persoon, voordat zij gegeven is, als zijn goed moet aangemerkt worden. Hier is geen sprake van rechtvaardigheid, maar van liefdadigheid. Dat een patroon na het behalen van een buitengewone winst, aan zijne arbeiders, die eens bijzonder Hink gewerkt hebben, behalve het hun toekomende loon, nog een extra geeft, kan billijk zijn, maar is geen eisch der rechtvaardigheid; omdat zij geen titel hebben, waarom zij die premie als hun toebehoorende kunnen eischen.

78. Men wachte zich het gebied zoo van recht als van plicht onjuist te begrenzen.

Daar zijn er, die geen andere rechten erkennen dan alleen positieve; alsof er niet natuurlijke rechten bestonden. En wie kan naar waarheid loochenen, dat wij van nature op verscheidene dingen (b.v. het leven) een strikt recht hebben ?

Xa hetgeen wij vroeger over de natuurwet en de positieve wet zeiden (Hoofdst. I §§ 2 en 3), behoeven

Sluiten