Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook geen vrijheid en onafhankelijkheid voor den mensch, geen orde en veiligheid in de maatschappij.

82. Zal de rechtvaardigheid geheel hare kracht ontwikkelen, dan moet zij vergezeld gaan van nog twee deugden: de billijkheid en de liefde.

Wat de ltomeinsche rechtsgeleerden billijkheid noemden, was niet eene afzonderlijke deugd, maar de natuurlijke rechtvaardigheid zelve. Wanneer namelijk de positieve wet Voor de beslissing eener rechtszaak een leemte overliet, dan deden zij, zich beroepende op de billijkheid, uitspraak naar de natuurlijke rechtvaardigheid 1). In dien zin spreekt dikwijls ook Leo XIII in de encycliek Rennn Novariwi 2).

Tegenwoordig verstaat men er meestal door, eene matiging in het gebruik van een recht ten bate van hem, op wien de rechtsplicht rust, en dat wel om een of anderen titel, dien deze kan doen gelden. Wanneer b.v. een schuldenaar eenig uitstel van betaling vraagt, dat hem van een groote ongelegenheid redt en den schuldeischer niet benadeelt, dan is de laatste in zijn recht om het verzoek af te slaan, maar de billijkheid kan hem tot inwilliging bewegen. Dit behoeft nog geen naastenliefde te zijn. Want de liefde vraagt niet, of een ander een titel op

') Vandaar bij hen het onderscheid tusschen jus strietum en jus aequum of aequum et borium.

2) De H. Thomas verstaat onder billijkheid wat wij epikeia noemen; d. i. eene toepassing van de wet tegen de woorden der wet in, wat kan plaats hebben in een onvoorzien geval, waarin dusdanige toepassing voor het algemeen welzijn en voor het doel der wet zelve noodzakelijk is. S. Th. I, TI. Q. 96, a. 6 en II, II. Q. 120. a. 1.

Sluiten