Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

90. Wij staan hier voor eene zelfde quaestie als bij den oorsprong van den staat. In Hoofdst. IV, § 2 zagen wij, dat de natuur in den mensch sommige neigingen heeft gelegd en hem behoeften heeft gegeven, die hem nopen om zich met anderen tot de burgerlijke maatschappij te vereenigen. Zoo ontvangt de staat niet onmiddellijk van de natuur het aanzijn; maar door den mensch als een maatschappelijk wezen te scheppen, die zijne natuur volgend vanzelf den staat vormt, is zij waarlijk de oorsprong van den staat in het algemeen genomen en is deze eene natuurrechtelijke instelling. Op gelijke wijze is de natuur de oorsprong van den privaten eigendom. Niet onmiddellijk komt hij van haar voort. Maar terwijl zij den mensch als doel stelde van de aardsche goederen, heeft zij hem zeiven zoo gemaakt, dat hij zijne natuur volgend vanzelf gedrongen wordt den privaten eigendom in te voeren. Zoo is hij eene natuurlijke instelling, waaruit voor iederen mensch afzonderlijk, gelijk wij boven betoogden, het abstracte eigendomsrecht als natuurrecht volgt. Maar gelijk het ontstaan van iederen concreten staat met zijn eigen vormen, eigen grondgebied, eigen wetten, afhankelijk is van historische, dus menschelijke feiten; zoo wordt ook het abstracte eigendomsrecht aan een bijzonder voorwerp vastgelegd en alzoo concreet gemaakt door menschelijke handelingen of feiten als rechtstitels.

Sluiten