Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dien zin zegt men, dat bij uitersten nood alles gemeengoed is. Door daarvan te nemen, zelfs tegen den wil des eigenaars, zooveel (maar ook niet meer) als hij op het oogenblik noodig heeft, maakt de noodlijdende / eenvoudig gebruik van het recht van occupatie en kan niet van diefstal beschuldigd worden 1).

Ook tegenover de armen, die niet in uitersten nood verkeeren, heeft de natuurwet aan het privaat bezit plichten verbonden. Niet alleen de wet der liefde verplicht den rijke tot weldadigheid, maar ook het doel zelf van den bijzonderen eigendom vordert, dat hij den arme in het gebruik zijner goederen doe deelen. OvereenkomstUj zijn stand te leren veroorlooft hem zijn recht; maar van zijn overvloed moet hij aalmoezen geven. In zooverre kunnen de rijken rentmeesters genoemd worden van hunne goederen ten dienste der armen. Dit is geen rechtsplicht; de arme kan zich op geen titel beroepen om de aalmoes als hem toekomend op te vorderen. Maar wel is het een plicht van naastenliefde, die van nature aan het tijdelijke bezit verbonden is 2).

§ 5. De Staat en het privaat Eigendomsrecht.

99. Met betrekking tot het eigendomsrecht kent de staat zich eene groote mate van bevoegdheid toe. Aan

') S. Th. II. II. Q. 66. a. 7.

*) Ibidem, en Ene. R. N. § 16 „Itaque fortunati."

Sluiten