Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rechtstitels, zelfs als zij door de natuurwet vrij nauwkeurig schijnen omschreven, stelt hij bepalingen en beperkingen. Door de wettelijke onteigening ontzet hij eigenaars van hun rechtvaardig bezit. Door de verjaring brengt hij het recht op een goed van den een over op den ander of ontslaat iemand van een rechtsplicht. Rechtshandelingen, die volgens de natuurwet geldig zijn, maakt hij krachteloos. Hij houdt er eene afzonderlijke wetgeving op na, nl. het Burgerlijk Wetboek, om de verhoudingen der com: mutatieve rechtvaardigheid, waartoe ook de eigendom behoort, der burgers onderling te regelen. Zijne bemoeiing reikt inderdaad ver.

Wanneer nu evenwel de menschen. die toch zoo gehecht zijn aan hun tijdelijk bezit en aan de vrije beschikking daarover, deze staatsbemoeiing niet alleen niet onrechtvaardig noemen, maar haar zelfs noodzakelijk achten; wanneer juristen en staatsphilosofen haar in beginsel niet bestrijden; wanneer godgeleerden verdedigen, dat zij waarlijk een gewetensplicht van rechtvaardigheid oplegt; dan besluiten wij reeds daaruit, dat den staat van nature eene zeer uitgebreide bevoegdheid met betrekking tot het eigendomsrecht toekomt.

Even zeker is het, dat zij grenzen heeft, door de natuur zelve gesteld, die de staat niet mag overschrijden. W ie zou het niet de grofste onrechtvaardigheid noemen, als de staat, aan wien men het onteigeningsrecht toekent, alle goederen zijner burgers verbeurd verklaarde? Allen nemen grenzen aan. Doch als er een grens is, moet zij kunnen worden aangewezen. De zaak is dus daarvoor eene formule op te sporen.

Sluiten