Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

102. Hieruit leeren wij den aard kennen van de bevoegdheid van den staat. Hij mist de rechtstreeksclie bevoegdheid (jus direct urn) om het eigendomsrecht te beperken; d. w. z. hij mag die beperking niet onmiddellijk om die beperking zelve als doel zoeken. Maar zonder eenigen twijfel heeft hij daarop eene middellijke of zijdelingsche bevoegdheid (jus indirectum), in zoover hij, het algemeen belang nastrevende als doel, de beperking van het bijzondere eigendomsrecht als middel aanwendt. Men vergelijke wat wij zeiden over het recht van den staat op de regeling van het privaat leven der burgers (n°. (>9). De private eigendomsverhoudingen kunnen namelijk in een noodzakelijk verband komen met het algemeen welzijn, op de zorg waarvoor hij eene rechtstreeksche bevoegdheid heeft. In dat geval ontleent hij daaraan het recht, das een zijdelingsch rechtop de eigendomsverhoudingen. Daar oefent hij blijkbaar niet zelf een eigendomsrecht, geen jus dom in ii (n°. 100), maar een recht van bestuur, jus jurisdidionis.

103. Met deze beginselen worden de grenzen van de staatsbemoeiing volstrekt niet nauw beperkt; zooals uit de volgende overwegingen kan blijken.

De verwerving van tijdelijk bezit verlokt velen tot bedriegerijen, onrechtvaardigheden en andere kwade practijken, waartegen werkdadig moet worden opgekomen. Het bezit van goederen zal herhaaldelijk botsing veroorzaken tusschen de eigenaars, zoo hunne onderlinge plichten en rechten niet worden vastgesteld. Op allerlei wijzen dreigt het gevaar, dat het eigendomsrecht geoefend wordt tot nadeel van het algemeen belang. Het openbaar welzijn

Sluiten