Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Willen wij weten, wat de ervaring zegt van het economische liberalisme, denken wij dan slechts aan de sociale quaestie, die zonder het liberalisme althans in dezen vorm niet zou gesteld zijn. Zie Hoofdst. III, vooral § 2 over de oorzaken en verschijnselen der sociale quaestie.

Daarbij draagt het liberalisme de schuld van de vervalsching der zedelijkheidsbegrippen in het drijven van zaken. Zoodra het aankomt op geld maken, is het alsof alles geoorloofd is wat men kan doen zonder het gerecht in handen te vallen. Zoo is de vrije concurrentie eene oneerlijke concurrentie geworden. In plaats van bedrevenheid begon men sluwheid en bedrog als iets heel gewoons te beschouwen. Wanneer de wetgeving vrij spel laat, worden de bedriegers nog grooter bedriegers, en die van het bedrog van anderen slachtoffer zijn, staan aan eene zware verzoeking bloot om het met de eerlijkheid, waaraan de wetgeving blijkbaar weinig gewicht hecht, ook zoo nauw niet te nemen. Zoo werden de economische verhoudingen, die geheel en al op de rechtvaardigheid behooren te steunen, door de liberale beginselen uiteengerukt.

Wij behoeven niet nader te bewijzen, dat voor de oplossing der sociale quaestie, van het liberalisme niets te verwachten is. Van de verhouding tusschen liberalisme en socialisme gewagen wij in het volgende hoofdstuk.

Sluiten