Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar met dat al blijve het beginsel van privaat eigendomsrecht onaangetast, en gebruike het staatsgezag zijne bevoegdheden zoo omzichtig, dat het de rechten der burgers niet krenkt. (Zie Hoofdst. VII, § 5). :).

') Met enkele woorden willen wij gewag maken van den Russischen Graaf Leo Tolstoï, dien men ook in zekeren zin socialist kan noemen, maar dan toch een socialist sui generis. Hij is in 1828 uit een oud aristocratisch geslacht geboren en houdt zich 'zomers op zijn landgoed bezig met veldarbeid, 's winters met schoenmaken, terwijl hij tegelijkertijd grootere werken en tijdschriftartikelen voortbrengt.

Op zijn 18de jaar reeds was hij totaal ongeloovig, wat hem niet verhinderde een godsdienstig stelsel op te bouwen, waarmede zijne sociologische beginselen samenhangen. Hij wil een christendom; doch daarvoor neemt hij niet den Christus van het Evangelie, maar een Christus van eigen vinding, die alleen datgene leert wat in Tolstoï's christendom past. Het is het christendom van algemeene liefde tot de menschheid. Dit verlangt, dat de mensch, met volslagen voorbijzien en vergeten van zichzelf, alleen tracht anderen gelukkig te maken. Ofschoon dit vrij wat edeler opvatting is dan die van het platte materialisme en het brutale egoïsme, het is toch heel iets anders dan de christelijke zelfverloochening. Zichzelven zoo vergeten, dat men volstrekt niets voor zichzelf zoekt, ook niet in hooger orde, ook niet in eene toekomst hiernamaals, is physisch onmogelijk.

Hij beschouwt de maatschappij met een akelig pessimistisch oog. Daar is in de wereld al zeer weinig goeds. De meest sprekende karaktertrek van alle menschen is: zelf niet te willen werken, maar te eischen, dat anderen het voor hen doen. Daartegenover stelt hij twee beginselen, als kern van zijn christendom en van zijn sociologie.

Het eerste luidt: „Weersta den booze niet" ; niemand eenig leed doen. ook zelfs niet uit wettige zelfverdediging tegen een onrechtvaardigen aanval. Zoo las hij in de Bergrede, en in verband daarmee tevens het verbod van zweren, oordeelen en dooden. Krachtens dit beginsel verklaart hij zich tegen den staat, want daaraan zweert men den eed van trouw; tegen de rechterlijke macht, want deze oordeelt andere menschen; tegen het leger, want dit dient om menschen te dooden; tegen den eigendom, want deze is slechts den eigenaar voordeelig.

Zijn andere beginsel heet: „Kneed uw brood in het zweet uws aan-

17

Sluiten