Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

houding voort. De kapitalist, die zonder den arbeid niet kan produceeren, vraagt den arbeider het gebruik van zijne kracht, en vergeldt met een rechtvaardig loon dat gebruik. Waar is hier de vennootschap?

Wil men het arbeidscontract tot een bepaalde soort van contracten terugbrengen, dan moet dit het huurcontract zijn. In het Burg. Wetb. wordt zelfs over huur van goederen en huur van diensten onder denzelfden Titel gehandeld. Wat in een huurcontract gebeurt met eene zaak, nl. dat de eigenaar zijn eigendom over die zaak behoudt, maar slechts het gebruik aan een ander afstaat tegen betaling van een huurprijs, dat gebeurt in het ai beidscontract met betrekking tot de arbeidskracht. I n dat opzicht kan men het dus beschouwen als een huurcontract.

155. Nochtans het verschilt in andere opzichten zoozeer van het huurcontract, dat het te beschouwen is als een contractus mi rjeneris, een contract van een afzonderlijke soort. De arbeider verhuurt niet een ding, niet eene machine, maar eene levende kracht, die onafscheidelijk met zijne persoonlijkheid verbonden is. De redelijke mensch komt zelf in het spel als voorwerp der overeenkomst. Verhuurt hij rechtstreeks zijne kracht, hij verhuurt middellijk zichzelf, wat trouwens in de gewone uitdrukking zich verhuren zeer juist door iedereen erkend wordt (n°. 25). De patroon wordt niet eigenaar van den mensch, dat zou de volledige slavernij zijn, noch kan hij den geheelen mensch naar willekeur gebruiken; maar toch is het zijn levende arbeidskracht, die de arbeider ter

Sluiten