Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Omtrent de hoogte van liet loon zelf stelt de strikte rechtvaardigheid hare eischen.

De liberale stelling, dat de overeenkomst zelve tusschen patroon en arbeider de maatstaf is van de rechtvaardigheid, zoodat een loon, onder de werking der wet van vraag en aanbod bepaald, hoe laag ook, vanzelf rechtvaardig is, behoeft geen wederlegging. Evenmin behoeven wij na het gezegde in de vorige § en in Hoofdst. II, S -±. stil te staan bij het stelsel, dat in naam der rechtvaardigheid boven het loon een deel van de winst voor den arbeider opeischt. Natuurlijk wanneer in het contract uitdrukkelijk wordt overeengekomen, dat de arbeider een deel van de winst zal ontvangen, dan bedrijft de patroon eene onrechtvaardigheid met het te weigeren.

Wij vestigen echter de aandacht op eene stelling, die licht verkeerd verstaan wordt. De werkman, hoort men soms, heeft recht op de vruchten van zijn arbeid; wat men desnoods met dit onomstootelijk beginsel kan staven, dat de eigenaar van de oorzaak ook het eigendomsrecht heeft op de voortbrengselen. Maar daaruit kan men tot zeer vreemde gevolgtrekkingen komen. Zooals die stelling daar luidt met de eerst voor de hand liggende beteekenis, is zij valsch. De werkman, zooals die hier bedoeld wordt, heeft geen recht meer op de vruchten van zijn arbeid. Dit klinke ietwat vreemd; maar men zal het gemakkelijk toegeven als men bedenkt, dat de werkman door het arbeidscontract zijn arbeid aan den patroon heeft overgedaan, zoodat hij niet meer de eigenaar is van de voortbrengende oorzaak. Het product behoort geheel en al aan den patroon, die de arbeidskracht zelve tot zijne

19

Sluiten