Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rechtigheid komt tegen dergelijken dwang in verzet."

Uitdrukkelijk, wij geven het toe, spreekt Z. H. niet over het familieloon, maar alleen over een loon, dat voor het bestaan van den arbeider zelf voldoende is. En daaromtrent laat zijne leer aan duidelijkheid niet te wenschen over. Doch de H. Vader spreekt over den arbeider in het algemeen, zooals hij is in dien stand, d. w. z. zoowel den gehuwden als den ongehuwden. Juist omdat hij spreekt over den arbeiders.s/^W, behoefde hij niet uitdrukkelijk van den gehuwden te gewagen: deze wordt er vanzelf onder begrepen. Welnu die arbeider moet minstens genoeg hebben 0111 van te bestaan, gehuwd of ongehuwd. En wordt aan dien eisch voldaan, wanneer de huisvader zijn vrouw en kinderen moet laten honger lijden? Wanneer derhalve een arbeider, die evengoed huisvader kan zijn als vrijgezel, in zijn arbeidsloon zijn bestaan moet vinden, dan moet dit het familieloon zijn,

I)e encycliek zou zooveel moeilijkheid niet gebaard hebben, ware er niet van België uit eene nadere verklaring gevraagd omtrent het familieloon, en ware hierop niet een antwoord gevolgd, dat op het eerste gezicht het familieloon als eisch der rechtvaardigheid schijnt te ontkennen. Bij nadere beschouwing echter blijkt, dat zoowel in de vraag als in het antwoord een loon bedoeld wordt, berekend naar de aanwezigheid en talrijkheid van het huisgezin. Dat nu kan niemand als recht vorderen (n°. 160).

Een beroep op andere canonisten en theologen gaat niet op, omdat dezen eene andere quaestie beantwoorden dan die thans gesteld wordt. Zij vragen of het verhuren

Sluiten