Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

188. 4°. De verheffing van den arbeidersstand.

Wanneer alles wat wij in.de drie vorige nos. genoemd hebben, wel geregeld en volmaakt in orde is, dan nog blijft de arbeider iemand, wiens geheele leven uitsluitend van zijn arbeid afhangt, die verder niets zijn eigendom kan noemen. En in dien toestand verkeert dan eene zeer talrijke klasse. Het is zeker een groot maatschappelijk belang den arbeidersstand zelf te verheften. Wanneer wij ons herinneren, dat de sociale quaestie neerkomt op de vraag, hoe men een einde kan stellen aan de toeneming van het proletariaat (n°. 42), en dat dit voor de fabrieksarbeiders beteekent: hoe kan men hen uit dien toestand ojibeuren (n°. 43); dan moeten wij toestemmen, dat het niet genoeg is hun giooter zekerheid van bestaan te bezorgen ; maar dan zullen wij ook redelijk vinden hun stand te verheffen.

Die verheffing bestaat niet in het vermenigvuldigen van genietingen: dat is bij degelijke arbeiders de groote viaag niet. Maar zij wordt duidelijk omschreven door Leo XIII in de encycliek Rerum Novarum. „Verdient de arbeider een voldoend loon, om in het onderhoud van zichzelven en van vrouw en kinderen op betamelijke wijze te voorzien, is hij daarbij verstandig en spaaizaam, dan zal hij het, zijn natuurlijken drang volgend, ook daarheen weten te leiden, dat hij zekere som kan tei zijde leggen, om zich een klein inkomen te verzekeien. ïviet slechts, wil men tot een practische oplossing der sociale quaestie geraken, moet het privaat bezit als een onaantastbaar recht worden gehandhaafd, maaide staat moet bovendien dit recht in zijne wetgeving

Sluiten