Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meen welzijn op zich mag nemen, heeft hij ook het recht om de daartoe noodige gelden van de andere burgers te vorderen. Daarmee legt hij den burgers niet een plicht op van liefdadigheid, maar van legale rechtvaardigheid. Immers daar is slechts sprake van het onderhouden van menschen, die van zichzelven de middelen daartoe missen.

Die openbare armenzorg kan nooit de christelijke charitas vervangen. De arme komt niet in aanraking met een liefdevol hart, maar met een ambtenaar, die volgens tarief te werk gaat. Uit zijne hand neemt hij de aalmoes koud aan, geljjk zij hem koud wordt overgereikt. De armenzorg vernedert hem, de liefdadigheid beurt hem op. Daarom is het een onvergeeflijke fout van den staat de geheele armenzorg, met voorbijzien van de particuliere en kerkelijke liefdadigheid, op zich te nemen. Zelfs als hij armenzorg moet uitoefenen, trachte hij nog zooveel mogelijk van hare tusschenkomst gebruik te maken. Alleen wanneer de christelijke geest zoozeer ware uitgedoofd, dat de vlam der ware liefdadigheid niet meer kon opflikkeren, alleen dan zou de staat met zijn surrogaat van armenzorg kunnen optreden. Doch die toestand is moeilijk denkbaar. Zoo blijve het beginsel onaangetast: eerst de private en kerkelijke vereenigingen en instellingen gesteund door den staat, en zoo min mogelijk rechtstreeksche staatsarmenzorg.

190. In ons vaderland werd de eerste akte van staatsbemoeiing in arbeidszaken gesteld in 1S63 door de benoeming van een staatscommissie, belast met het onderzoek naar den kinderarbeid in fabrieken. De eerste wet

Sluiten