Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Z. H. Leo XIII in zijne encycliek Rerum Novarum is neergelegd, zouden uiteenzetten. Daarvoor verwijzen wij naar hetgeen in Hoofdst. IV, § 1 over maatschappijen of 'vereenigingen in het algemeen is aangevoerd.

In tegenstelling met den staat en het huisgezin, die wat doel, wezen en hoofdtrekken aangaat door de natuur zelve bepaald zijn en daarom natuurt jke of nood zakelijke maatschappijen genoemd worden, moeten wij thans de zoogenaamde vrije maatschappijen beschouwen, die ook wel een gevolg en eene uiting, maar niet een strenge eisch zijn van 's menschen maatschappelijke natuur (n°. 59).

Zulke vrije maatschappijen of vereenigingen richt men op tot de meest verschillende doeleinden; men beslist naar eigen keuze, wie als leden kunnen toetreden • men regelt het gezag, zooals men het nuttigst oordeelt. Doch ioe vrij men ook in het oprichten en regelen dier maatschappijen is, leden, een gemeenschappelijk doel en een zeker gezag behooren tot haar wezen (n°. 55).

Het gezag is vaak de gezamenlijke wil der leden, die zijn concrete uitdrukking vindt in een gekozen president. Deze oefent het gezag uit, dat met den aard der maatschappij overeenkomt. Dat is de zoogenaamde gelijke maatschappij (,societas aequalis). In eene ongelijke maatschappij (societas inaeqitalis) is de drager van het gezag (oor de natuur der zaak aangewezen, b.v. een patroon met zijn arbeiders (nos. 109 en 170). Maar in welken vorm ook, een gezag moet er zijn ; een gezag, dat natuurlijk met verder reikt dan de aard der maatschappij meebrengt (n°. 58). Beslissend voor het gelieele karakter der maatschappij, voor hare inrichting en werking, dus

Sluiten