Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wordt meestal zoo gesteld: welk soort van woordbeelden bemerk ik, als ik stil zit te denken? Nu is dat geen lieel scherpe vraag. Ik kan denken aan dingen uit mijn omgeving en daarover oordeelen opstellen, b.v.: de lamp brandt vrij slecht; ik kan denken aan dingen, die ik gelezen, gehooid, gezegd of gedaan heb; in al die gevallen krijg ik gowl. een verschillend antwoord, ja soms bemerkt men geen spoor van woordvoorstelling. Zit men te broeien over een vraagstuk, dat men moet oplossen, dan neemt men niet zelden een duidelijk alternceren van de woordvoorstellingen waar, want dikwijls bestaat een neiging om een denkbeeldigen tegenstander aan te spreken en dien te liooren antwoorden. Ik kan probeeren in een vreemde taal te denken; is dat een taal, die ik alleen door 't lezen ken, dan treedt liet gezichtsbeeld op den voorgrond; is liet een dialect, waarin men nooit gelezen of geschreven heeft, maar wel veel heeft hooren spreken, dan zyn de gehoorsbecldcn het duidelijkst.

Daarom is liet nog al onbegrijpelijk hoe men zulke bepaalde theses heeft durven opstellen omtrent de woordbeelden bij het stille denken, dat men ook weer ten onrechte met inwendige spraak heeft geidcntiliceerd.

Een partij, waarvan ik slechts Strickcr en Jackson noem, beweert dat de motorische voorstellingen domineeren en de belangrijkste zijn.

Een andere partij, waartoe bijv. Wornicke en Charlton Bastian behooren, verklaart dat aan de akustisclie woordvoorstellingen de leidende rol toekomt.

Een derde partij houdt vol dat de schriftbeelden zich het gemakkelijkst en het duidelijkst voordoen.

Charcot en zijn leerlingen slaan een middelweg in en beweren dat men de mensehen naar het kenmerk van het op den voorgrond treden der woordvoorstellingcn in verschillende types rangschikken kan: een motorisch type een akustisch type, een visueel type, zelfs een graphisch type. Dit schijnt ons in hoofdzaak juist; maar voor alle

Sluiten