Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In deze amoeben zoekt K u r 1 o ff de verwekkers van den kinkhoest. Het verband met de eerstbeschrevene, van trilharen voorziene, lichaampjes is hem niet duidelijk.

Dezelfde organismen als Deichleren Kurloff vond ook Behla (45) in het verwarmde kinkhoestsputum. Na nauwgezet onderzoek is hij over den ontwikkelingsgang van de amoebe tot het volgende inzicht gekomen.

De karakteristieke glanzende bolletjes houdt hij ook voor sporen. Deze vergrooten zich tot 10—12 jtt, in het zich bewegende protoplasma vertoonen zich ronde of spiraalvormige lichaampjes, zooals ook De ich Ier beschreef. Het omhulsel berst en de embryonale amoebe treedt te voorschijn. Deze groeit, vaak tot een grootte van 80 iu,, en vertoont levendige amoeboïde beweeglijkheid; meestal is ze langwerpig met een stomp en een puntig eind; ze bezit geen trilharen. Soms zag hij vermenigvuldiging door deeling, soms zag hij twee amoeben samensmelten: een conjugatieproces of plasmodiënvorming.

Van leucocyten verschillen deze amoeben door het snelle, »zuckende" uitzenden der pseudopodiën, terwijl hun dierlijke natuur bewezen wordt') door het kloppen der vacuolen, dat hij soms duidelijk kon waarnemen. Bovendien pleit hiervoor de vorming van sporocysten en sporen. Hebben n.1. de parasieten voldoende voedsel opgenomen, zijn ze rijp geworden, dan komen ze tot rust, ronden zich af en worden door een membraan omgeven. De inhoud wordt korrelig, het protoplasma omgevormd tot de glanzende sporen, die na bersten der cysten vrijkomen en zich verder ontwikkelen.

Behla wil den parasiet niet rangschikken onder de

i) Pfeiffer. Münch. Med. Woch. 1!S98 p. 894.

Sluiten