Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

af, spoelde het daarna nog eens onder een waterstraal en streek het uit op een reeks buisjes of Petri'sche schaaltjes met agar.

Reeds na 12 uur, ten volle ontwikkeld na 20 uur, ziet men nu hierop zeer fijne, geïsoleerde, matgrijze, ronde, sterk co- en adhaerente kolonies, die in aantal alle andere overtreffen, zelfs menigmaal in reincultuur opkomen.

Vooral deze snelle groei in het begin is opvallend; hij laat reeds na 12 uur hun aanwezigheid macroscopisch herkennen. Dikwijls verdwijnen de kolonies echter al den tweeden dag onder de nu zich uitbreidende saprophyten; wil men ze dus voortkweeken, dan zette men ze op zijn laatst na 20 uur over. Hierbij is men door hun taaie, aan kraakbeen gelijke, consistentie gedwongen de kolonies in hun geheel over te enten en ze by het uitstrijken op de agar met zekeren druk te broyeeren.

Gewone agar is het beste voedingsmedium, beter dan bloedserum en glycerineagar. Na eenige dagen groei confiueeren de kolonies, worden wat minder »knorpelfest", ofschoon dan nog de laag in haar geheel van de agar kan afgerold worden.

Op aardappel, gelatine en in bouillon groeit de diplococcus niet.

De diplococcus is aëroob, het temp. optimum ligt tusschen 36—38», de grenzen tusschen 30—42".

Gekleurd met basische anilinekleurstoffen is hy een opvallend kleine diplococcus, altijd gepaard, ieder der deelen bijna rond, alleen waar ze tegen elkander liggen, wat afgeplat. In de cultuur liggen ze in allerlei groepen, rechte- of gewonden kettingen (hoe ze zich in het sputumpraeparaat voordoen, beschrijft hij niet). Hoe ouder de cultuur en de generatie, des te meer verandert het aspect van den diplococcus: de paren wijken verder

Sluiten