Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op de agarplaten zijn de kolonies al naar de vochtigheid van den bodem klein, droog, opaak, grjjsgeel, als een zandkorrel, of meer transparant als een dauwdruppel, met fijne, min of meer duidelijke granuleering en soms een centrale, knopvormige verheffing. Al prefereert Czaplewski de serumplaten, toch acht hij agarplaten, op welke echter de bacterie licht overwoekerd wordt, voor de reinkweeking soms beter te gebruiken.

Voegt men aan de agar suiker of glycerine toe, dan wordt de groei beter, de staafjes worden langer, met gezwollen uiteinden, waardoor ze op pseudodiphteriebacillen lijken. Zulke vormen komen ook op serum voor en heeft Vincenzi waarschijnlijk van hem ontvangen. Het verschil met de pseudodiphteriebacillen is echter, dat ze kleiner en korter zijn dan deze; hun grondtype is een ovalaire bacterie, dat van de pseudodiphteriebacillen een staafje; bovendien groeien de laatsten beter op agar.

De tot nu toe door niemand bevestigde Ritter vindt in den coccobacillus van Vincenzi zyn dipiococcus terug en laat dit door zyn assistent Buttermilch (53) toelichten. Deze publiceert oude photogrammen van Ritter en een beschrijving van den dipiococcus, zooals hy dien zag. Deze verschilt bijna niet van den coccobacil van Vincenzi, doch wel van den dipiococcus, zooals Ritter dien oorspronkelijk beschreef. Hierop wyst Czaplewski in uitvoerige artikelen (38, 39). Buttermilch's dipiococcus n.1. groeit in bouillon, kleurt zich niet volgens Gram, zijn kolonies conflueeren niet, ook spreken Buttermilch noch Vincenzi van de kraakbeenige consistentie van de kolonies, noch van hun groote adhaesie aan den voedingsbodem, terwijl bovendien de beschrijving van de diplococcen niet geheel overeenstemt met die van Ritter.

Sluiten