Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Allereerst is door ons onderzocht, of het bloedserum van kinkhoestlijders deze bacillen agglutineerde. Hoewel het niet gemakkelijk was een homogene cultuur in bloedbouillon te verkregen, doordat de bacillen slechts zwakken groei hierin vertoonen en gewoonlijk reeds in groepjes by elkander liggen, is ons dit tocheenige malen gelukt, en konden we ons overtuigen, dat het bloedserum van de gevallen XVII en XXIII niet den minsten invloed op de rangschikking der bacillen uitoefende. Wij volgden hierbij de microscopische methode en gebruikten een reeks van verdunningen tusschen 1 : 5 en 1 : 1000.

Voorts namen wy proeven bij dieren. Deze werden evenwel, na het negatieve resultaat, dat Jochmann enKrause bij caviae, konijnen en jonge honden hadden verkregen, niet verricht om de ziekte bij dieren op te wekken, doch om te beproeven van den b. pert. E. een stam van hooge en althans eenigszins constante virulentie te verkrijgen. Mogelijk toch zou het bloedserum van kinkhoestlyders by dieren, die met dezen bacil geïnfecteerd waren, den dood kunnen voorkomen, terwijl het bloedserum van individuen, die niet aan deze ziekte geleden hadden, die werking misschien niet zou blyken te bezitten. Zeker zou dit een belangrijke bewijsgrond voor de pathogeniteit van den b. pert. E. zyn.

Deze proeven strandden evenwel op de groote moeilijkheid zulk een virulenten stam te verkrijgen. Al werd ons doel dus niet bereikt, toch zullen we een en ander van deze experimenten mededeelen, daar we soms interessante verschijnselen na de inspuiting met dezen bacil waarnamen. (Zie de protocollen dezer proeven in Bijlage II).

Wij kozen voor ons onderzoek caviae en konijnen, omdat Jochmann en Krause bij witte muizen geen pathogene werking hadden waargenomen.

Sluiten