Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dien te laedeeren, verwekte daar echter geen ontsteking.

Een derde wit konyn van 2380 g. werd 2 c. c. exsudaat uit de buikholte van een der caviae (N°. 14) in het bloed gespoten. Den volgenden dag waren de conj unctivae vochtig, de oogen traanden, het lichaamsgewicht daalde tot 2000 g., de beide achterpooten waren paretisch; den morgen daarop lag het dier verlamd in het hok en stierf 's middags; de rechter conjunctiva scheidde toen mucopurulent exsudaat af.

By obductie werd geen miltzwelling, noch ontstekingsprocessen van organen of sereuze vliezen gevonden, echter algemeene infectie met den b. pert. E., zooals bleek bij uitzaaien van bloed en leversap.

Intusschen waren gedurende deze onderzoekingen pogingen gedaan om een paard tegen den b. pert. E. te immuniseeren.

Om twee redenen was dit geschied: in de eerste plaats om na te gaan, of het serum van dit paard na deze behandeling eenige specifieke eigenschap verkregen had; in de tweede plaats om te onderzoeken of het serum een gunstigen invloed op het beloop van den kinkhoest had.

Het paard werd subcutaan ingespoten met tweeërlei cultuurmassa. N°. 1 werd verkregen door bij plaatculturen van den bacil elk 15 c. c. physiol. keukenzoutoplossing, die 0,5 °/0 tricresol bevatte, te voegen en aldus een emulsie van den bacil te maken.

N°. 2 was een mengsel van bouillonculturen van den bacil (stam II), waaraan 0,5°/0 tricresol was toegevoegd. Het bestond uit: a.) 800 c. c. bouilloncultuur van stam II, gekweekt uit het bloed van het 3de konijn; ze had 12 dagen bij 37° gestaan; b.) 300 c. c. bouilloncultuur van stam II, gekweekt uit het bloed van cavia No. 16;

Sluiten