Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

B\j voortkweeken op schuine bloedagar zagen wy de grootere kolonies van den bacil niet meer; het werden nauwelijks zichtbare dauwdrupjes en niet zelden mislukte spoedig de verdere overenting. Dit laatste kwam niet meer voor, toen we in plaats van paardenbloed, menschenbloed gingen gebruiken, mits binnen 3, uiterlijk 4 dagen werd overgezet.

In geen van deze gevallen zagen wij bacillen, die volkomen met den b. pert. E. overeenkwamen; wij gelooven dan ook wel, dat de onderlinge verschillen tusschen beide gering genoeg zyn, om dezen bacil voor een wat grootere variëteit van den b. pert. E. te houden. m heeft wel eenige overeenkomst met de beschrijving, die Pfeiffer van den pseudoinüuenzabacil geeft, maar vormt minder schyndraden; een beeld zooals Pfeiffer's photogram weergeeft, zagen wij nooit.

Wat de andere bacteriën, in deze gevallen gevonden, betreft, zal men in bijlage I zien, dat wij nu en dan de poolbacterie vonden, doch haar soms ook misten; het meest zagen wij behalve streptococcen kolonies, die precies op de groote kolonies van den b. pert. E. geleken: rond, parelmoerachtig getint, opalesceerend, transparant. Ook de staafjes leken in het groot wel wat op den b. pert. E.; ze waren vaak wat gebogen en levendig beweeglijk. Op agar groeiden ze in een vrij dikke transparante laag, die als een vernis over de agar lag gestreken. Ook in de vroeger onderzochte gevallen zagen wij deze bacillen frequent. Vermoedelijk is het de bacil van Afanassjew; hoewel de cultuur zeer veel op die van den bacil van Leuriaux gelijkt, zijn de staafjes voor dezen wat te slank.

Den bacil van Manicatide, dien wjj ook niet geheel uit het oog verloren, vonden wij nooit; evenmin den diplococcus van Ritter. De als karakteristiek kenmerk

Sluiten