Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vóór den dood vertoonden de dieren klonische krampen van de extremiteiten, terwijl de sectie bij allen een peritonitis met meer of minder (1—6 c. c.) serofibrineus exsudaat opleverde. Uit dit exsudaat kon de b. pert. E. steeds in reincultuur, in groot aantal gekweekt worden; ook uit het hartebloed gelukte het steeds den bacil te cultiveeren, al was het ook meestal in weinig exemplaren. Uit het fibrineus-etterige exsudaat, dat zich bij cavia N°. 5 onder de huid bevond, kon nog een vrij groot aantal kolonies van den b. pert. E. worden gekweekt.

Passageproeven met Stam II (Caviae).

cavia

I DATllM

van injectie met: igewichtj resultaat injectie i ! j

12 j 6 April 0,5 c. c. exsudaat uit 150 7 April dood in

i de buikholten van 1 i het hok.

| caviae Nos. 7 en 8.

13 ] 7 April 11 c. c. exs. uit buikh. 150 8 April dood in

v. cav. No. 12. i het hok.

14 8 April 1 c. c. exs. uit buikh.; 150 Dood na zes uur.

v. cav. No. 13.

15 9 April 0,5 c.c. exs. uit buikh. 150 Blijft gezond (in den

v. cav. No. 14. , darm gespoten?).

10 » Als vorige. 300 10 April dood in

het hok.

17 10 April! 1 c. c. exs. uit buikh. 295 11 April dood,

v. cav. No. 16. i s namiddags.

18 i » Als vorige (sub- 295 Blijft gezond.

cutaan).

19 j 12 April :0,5 c. c. exs. uit buikh. 295 Blijft gezond.

v. cav. No. 17.

i

De bevinding bij de secties der gestorven caviae was geheel dezelfde als bij die uit de vorige reeks.

Doordat wij na de laatste (6de) passage enkele dagen deze proeven moesten onderbreken, en het daarna bleek, dat wij den daarvoor gebruikten bacil verloren hadden, is met den oorspronkelijken stam II, die ± 6 weken op paardenbloed-agarplaten was voortgekweekt, een nieuwe serie passageproeven begonnen.

Sluiten