Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ring, op inductie, welke door hem gedefinieerd wordt Top I, c. 12, p. 105, a, 4. èirayuyvi Ss tj x7ro tüy xxó' ixeurrm iir) kMï.ou ëipoSos, d. i. inductie is het opklimmen van het bijzondere

tot het algemeene.

Aristoteles was er ver van af te meenen, zooals men hem dikwijls heeft toegedicht, dat de syllogisme een almachtig instrument was om kennis te verwerven, dat al ons denken in den vorm van syllogismen kon worden gegoten en dat de syllogisme de eenige weg tot weten was. In zijne ethische, zijne politische, zijne physische geschriften komt hij niet voortdurend op den trant der middeleeuwsche scholastici met sluitredenen aanslepen, maar hij hoopt feiten tot stapels bijeen, maakt scherpzinnige opmerkingen betreffende de feiten en redeneert bij analogie, bij vergelijking, bij intuitie juist op de manier, waarop zijne moderne bedillers dat wenschelijk achten.

Intusschen moet erkend worden, dat Aristoteles verzuimd heeft een voldoend licht te verspreiden over de wijze, waarop de algemeene beginselen van wetenschappelijk onderzoek in den geest des inenschen geboren worden. Het kan ons niet verwonderen, daar zelfs in al de eeuwen, die na dien grooten denker verstreken zijn, dit licht niet in zoodanige mate ontstoken is, dat alle ernstige denkers zich bevredigd verklaren. Hoe weten wij b.v. dat alle veranderingen aan de wet der causaliteit onderworpen zijn?

In Anal. Priora II, 23, p. 68 b. 13 zegt Aristoteles: vtx yu.p irtsTevoiAsv % <svXMyi<T[/.öv y d. i. wij gelooven

alles of door een syllogisme öf door inductie". Hier worden dus inductie en syllogisme aan elkaar overgesteld. Maar onmiddelijk laat hij er op volgen, dat inductie een soort van omgekeerde syllogisme is. „s7rtxyayii ftcv cvv hu xoiï <5 f? av'/.ï.oytv(J.o$

to l)x tov hspcu Surepov xxpov tk /uéau auh?.oyior?,ïêxi." Inductie, zegt tij, grijpt er plaats, als door den terminus minor wordt bewezen,

Sluiten