Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat de terminus major van den terminus medius geldt. En dan geeft hij het volgende voorbeeld. In een regelrechten deductieven syllogisme zouden wij zeggen:

alle dieren zonder gal leven lang; mensch, paard, muilezel zijn zonder gal; ergo leven zij lang.

Langlevend is hier de terminus major. Maar bij de inductieve redeneering wordt door middel van den terminus minor (mensch, paard, muildier) betoogd, dat de terminus major van den terminus medius geldt. De inductieve redeneering moet bijgevolg aldus luiden:

Mensch, paard, muilezel leven lang;

Mensch, paard, muilezel zijn zonder gal;

Ergo zijn de dieren zonder gal langlevend.

Wordt hier nu licht ontstoken over de manier, waarop onze meest algemeene praemissen, de beginselen, welke bij alle onderzoek ons tot richtsnoer strekken, in den geest geboren worden? Aristoteles zag duidelijk, dat wij, zal niet alle redeneering in de lucht hangen, van vastigheden moeten uitgaan. En tevens ontsnapte het den scherpzinnigen man niet, dat de conclusie betreffende de dieren zonder gal enkel dan steekhoudend mag heeten, als het reeds vast staat, dat mensch, paard, muilezel, de eenige dieren zonder gal zijn, de klasse der gallooze dieren in haar geheelen omvang vertegenwoordigen. Wij moeten m. a. w. weten, dat de terminus minor en de terminus medius gelijken omvang hebben, of, om het anders uit te drukken, dat de terminus minor al de deelen omvat, waarvan de terminus medius de totaliteit vertegenwoordigt. Zoolang wij het niet weten, kunnen wij het enkel stellen, als een postulaat aannemen. Aristoteles leert uitdrukkelijk Anal. Priora II, XXIII, p. 68, b, 27: Asï vosïv to r t'o xxxvtuv Tiliv kxO' sxxittov auyxsiumv • ij yxp ènxywyvi 5ix irivTuv, d. i. men moet overigens in 't oog houden, dat C alle

Sluiten