Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gen zijn slechts het instrument, met welks behulp het verstand de begrippen maakt. Het verstand denkt in begrippen als mensch, plant, ding, welke algemeenheden zijn, terwijl aan de zinnen zich slechts concreta voordoen. Oorspronkelijk is het verstand er enkel luvitui en is het gelijk een tabula rasa, waarop nog niets geschreven staat, gelijk Aristoteles zegt: hl 3' ovtu? ujirip è" yp&WXTeiu § piySèv V7rap%éi èvTS\e%ei$ yeypxwevov" (de anima III» c. 4, 430, a. 15). Het verstand is niet voldoende om het begrip voort te brengen, want een vermogen blijft vermogen en niets meer dan dat, zoolang het niet door iets anders aan het werk wordt gezet. Maar evenmin is de zinnelijkheid voldoende om het algemeene, het begrip, te doen geboren worden, want het algemeene is iets anders en van hoogere waardigheid dan het object der zinnen, to xxQihou ety xv ouSèv %ttw èviuv tüv fj-épo:, xaxx xx) [j-xkhov ocrcp rcc x<póxpTX sv èxeivots ioti, tx

Sè xocr» t*épo? cpóxprx , d. i het algemeene is niets minder

in waardigheid dan het bijzondere, ja zelfs meer, in zooverre het algemeene het onvergankelijke maar het bijzondere eer het vergankelijke omvat. (Anal. Post. I, 24, 85, b, 37). Een onzinnelijk vermogen, het verstand, bedient zich van zinnelijke objecten om een onzinnelijk object, een res intellecta, te verwerven. Zelfs zijn intelligens actu en intelligibile actu één „xx) xutqs Ss ventris svtiv iïezsp tx voyTx". (de anim. III, c. 4, 430, a, 18.) Ziedaar de leer van Aristoteles.

Welk empirist zou ooit beweren, dat de ziel in zekeren zin alles is, gelijk Aristoteles zegt, de anim. III, c. 8, 1 p. 431 b, 20 r>'j oi/tx trug sitti vxvtx".

In den aanvang van het tweede boek van zijne verhandeling wordt de ziel door Aristoteles als het levensbeginsel gedefinieerd, als datgene wat bewerkt, dat een wezen leeft „'Avxyxxïov xpx Typ \puZW ouaixv ehxi, ü$ siio? rsufxxToq (pvvtxov, ïuvxpiei %u>iv (Kouros, d. i. de ziel moet noodzakelijk werkelijkheid zijn, als

Sluiten