Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn, omdat ze een kxIov vertegenwoordigen. Zeker, men kan die deugden volgens Aristoteles niet bezitten, zonder tevens het zalig besef te hebben, dat men in zoover aan zijne roeping als redelijk wezen getrouw is. Doch op dit aangename besef komt het niet in de eerste plaats aan.

Genot, zegt Aristoteles, is een goed, dat de handeling des menschen voltooit. „Kxirxv re hépysixv tc^cioT y (Eth. Nicom.

X, c. 4, 1175, a, 23.) De aard van het genot hangt af van het lintuig, dat genot ontvangt. Men kan spreken van een lust om te zien of een lust om te hooren. Wordt het zintuig moede, zoo gaat ook het genot weg. Ook wordt iedere verrichting door het genot van eene andere bezigheid gestoord. Een muziekliefhebber wordt afgetrokken van zijne studie, als hij muzikanten in de buurt hoort spelen. Iemand, die tijdens zijn maaltijd naar eene tooneelvoorstelling zit te kijken, vergeet vaak zijn eten te gebruiken. Het genot is het laatste, dat bij de handeling komt, om haar te voltooien. In het handelen ligt de vervulling van onze bestemming, „èv tm ëpycp "èoxei rxyxêov shxi xx'i to f3", (Eth. Nicom. I, c. 7, p. 1098, a, 28). Het genot komt bij de handeling als de bloei bij de jeugd „ofov toï? xxuztus y apx". (Eth. Nicom. X, c. 4, p. 1175, a, 29). Het genot is dus volgens Aristoteles iets innerlijks, dat ontstaat door de handeling. Het is, zooals R. Eucken zoo treffend zegt: „ons eigen werk, het laat zich niet van buiten af mededeelen noch als een sieraad omhangen, maar het verschilt naar de werkzaamheid en gaat daarmede op en neer" (Lebensansch. d. gr. Denker 4e aufl. 1902 p. 58). Zoo heeft ook Caird Aristoteles verstaan, want hij zegt: „Genot, het gevoel van harmonie met ons zeiven en onze omstandigheden, is gelijk - Aristoteles reeds leerde, het gevoel, dat onze zelfverwerkelijking begeleidt." (Crit. philos. of Imm. Kant by Edw. Caird 1889 II p. 230.)

Pierson heeft de beschouwing over genot, die Aristoteles was toegedaan, niet behoorlijk weergegeven. Het leven voor zijn

Sluiten