Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aristoteles. Hij vat de deugd op als een staat van 's inenschen wil, d. i. van zijn redelijk begeeren. Deugd veronderstelt redelijk inzicht en keuze. Maar deugd is ook een zaak van ons gevoelen en handelen, zoodat genot en smart daarvan niet af te scheiden zijn: „Tf/si vihovccs yxp xx) kvitxt; svtiv y xpsTyi" (Eth. Nicom- U| c. 3, p. 1104, a, 38). Immers loon lokt bij de opvoeding tot het goede en pijn schrikt van het kwade af. Nu is het een onuitroeibare eigenschap van den mensch voor lief en leed gevoel te hebben. De opvoeding is dan voltooid, wanneer men er aan gewend is lief en leed uit de rechte bronnen te putten. ant hij, die zich slecht zingenot ontzegt en in die onthouding behagen schept, is waarlijk matig, maar die zich met weerzin bedoelde onthouding oplegt, is nog onmatig; hij die met blijdschap, ten

i

minste zonder leedgevoel, gevaar trotseert, is waarlijk dapper, maar wie het gevaar met weerzin te gemoet gaat, is nog een lafaard. 1. 1. (p. 1104). Yolgens Aristoteles is dus de deugd volmaakt, als de betrachting der deugd geen zelfoverwinning meer kost, maar men in haar pleizier vindt.

In zooverre heeft Pierson gelijk, dat deugd volgens Aristoteles niet iets is, dat van nature gegeven is, maar verworven moet worden, evenals een kunst. Maar de vatbaarheid voor de deugd is eene geheel andere dan aanleg voor muziek of teekenen. Iemand kan hot heel ver in die kunsten gebracht hebben, en nochtans weigeren er iets aan te doen. De deugd daarentegen is eene hebbelijkheid tot eene bepaalde klasse van daden, die, tenzij uitwendige omstandigheden zulks verhinderen, zeker in werking treedt. Het bestaan nu van hebbelijkheid kan alleen geconstateerd worden door het genot, dat men gevoelt in de daden, die uit deze hebbelijkheid voortkomen. (Eth. Nicom. II, 3, 1).

Pierson zegt, „dat wij volgens Aristoteles van onze opvoeding moeten leeren de beide denkbeelden van deugd en genoegen onafscheidelijk te verbinden". ,Ontzeg den mensch het recht

Sluiten