Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

want de wijsheid, die zoowel de ethische ah de intellectueele uitnemendheid omvat, is een ?£/?. Door haar streeft de mensch steeds naar reproductie zijner werkzaamheid {èvèpysix) en krijgt hij hoe langer hoe meer slag daarvan, volgens de wet, dat men al doende leert. Zoo is de wijsheid de meest blijvende werkzaamheid des menschen, en komt haar [toviftÓTW, duurzaamheid toe. (Eth. Nicom. I. c. 10, p. 1100 a, 44). Het leven van den wijze is het leven van de ware, d. i. van de werkzame rust des geestes. Alle moeite in het leven heeft die rust ten doel: „<i&%o}.oiïf&eix "vx avohx^cofAcv." In het praktische leven is de mensch gelijk iemand, die nog bezig is den berg des geluks te bestijgen; de philosoof staat op den top des bergs. (Eth. Nicom. X, c. 1) Het practische leven is van vreemde ondersteuning en hulpmiddelen afhankelijk, maar het leven van den wijze vindt zijn doel in zichzelf en biedt daardoor een ongestoord genot. (Eth. Nicom. X, c. 7, 7).

Dat niet ieder mensch naar het geluk van het beschouwende leven kan streven, gelijk Spruyt zegt, is waar, maar dit komt niet daarvan, dat het bovenmenschelijk is, maar dat andere werkzaamheden of de leeftijd of de omstandigheden zulks verhinderen. Slaven ontbreekt het aan vrijen tijd om zich aan het denkende leveu te wijden. Handwerkslieden en staatslieden komen er niet toe, omdat zij te veel beslommeringen hebben. Knapen en jongelingen evenmin, omdat zij nog verkeeren in het voorbereidingstijdpark des levens. Vrouwen ook niet, omdat zij de noodige vastheid in haar denken missen. En ook menschen, wie de eene ramp na de andere treft, zooals Priamus, zijn door het noodlot uitgesloten van het ware geluk. (Eth. Nicom. X, c. 7, 8. Polit. VII, c. 13, 17. VIII, c. 5, 2).

Het leven van den wijze is het echt menschelijke leven. De wijzen doorleven de schoonste oogenblikken en verrichten de schoonste daden, want het denken overtreft alles in waardigheid en kracht, 3uvxnei xx) TifAioTviTi TTohb [tccMov ttx'jtuv V7rspi%ei. (Eth. Nicom. X, c. 7, p. 1178, a, 12). De philosoof leeft als God, die het denken,

Sluiten